Deprecated: Methods with the same name as their class will not be constructors in a future version of PHP; clsMsDocGenerator has a deprecated constructor in /home/1001korteverhalen-nl/1001korteverhalen.nl/includes/classes/msDocGenerator.class.php on line 65
Verhaal 'De Discussie over het ontstaan van ons zonnestelsel met H.L. 5' door guido van geel

De Discussie over het ontstaan van ons zonnestelsel met H.L. 5

Aan H.L. 5
In dit stadium van onze gedachtenwisselingen over onze verschillende opvattingen over het ontstaan van sterren, planeten en manen, werd H.L. steeds onvriendelijker in zijn reacties. Maar ach, het zijn sterrenkundigen.
G.:
Tijdens mijn onderzoekingen over het wel-en-wee van de sterren viel het mij op dat als je plaatjes zag van melkwegen van opzij gefotografeerd dat daar steeds een donkere laag te zien was in het middenvlak en dat daarboven steeds lichter concentraties te zien waren. Dit bracht mij op een theorietje. Ik heb die ook aan H.L. voorgelegd.
De schuimtheorie.
De ‘noodzaak’ om zo een theorietje te bedenken was het feit dat de nabijheid van kort levende reuzensterren nogal gevaarlijk is voor een planeet als onze aarde. Dus zocht ik een mechanisme dat hele grote sterren in hun korte leven toch ver genoeg terecht kwamen om veilig te ‘sterven’. Uitgaande van de leeftijd van ons zonnestelsel, 5 miljard jaar, en de levensduur van reuzensterren 10 miljoen jaar, dan betekent dat 500 generaties.
Men neme een gaswolk, ongeveer 13 miljard jaar verweg (waterstof en een beetje helium), die is in evenwicht en zo een wolk heeft een soortelijke massa/gewicht en toen nog een hoge inwendige temperatuur. Voorzover ik weet worden dergelijke wolken niet waargenomen, men ziet hoe ver men ook kijkt steeds melkwegen met hun kenmerkende vormen. Er zijn dus al allerlei sterren in ontstaan (misschien na aanvaring met een gelijksoortige wolk), verschillend in grootte. Grote sterren branden relatief feller dan de kleine en vormen navenant onevenredig grotere cellen door hun stralingsdruk en dergelijke. De soortelijke massa van grote cellen als geheel zal lichter zijn dan die van de kleinere cellen. Het gevolg zal zijn dat de grote cellen sneller uit de resterende wolk opstijgen dan de kleinere. (Je kunt het ook anders zien, de grote sterren verdrijven door hun stralingsdruk sneller en over grote afstanden de resterende gassen dan de kleinere sterren, maar hoe dan ook de resterende gassen komen buiten het sterrengebied terecht en zoeken onder invloed van de zwaartekracht het middenvlak van het systeem op.) De sterren stijgen op als belletjes in een glas bier en vormen de schuimkraag.
H.L:
ONZIN, DE OPWAARTSEKRACHT IN DE ZEER IJLE GASWOLK IS VEEL TE KLEIN VOOR DIT EFFECT. REKEN MAAR NA! DE ZWAARTEKRACHT DOMINEERT ALLES.
G.:
Het is mij niet duidelijk waar ik de invloed van de zwaartekracht buiten beschouwing laat.
Als de ijlheid in een wolk toeneemt maar de massa niet, speelt de zwaartekracht plaatselijk een steeds minder overheersende rol, de zwaartekracht verliest a.h.w. richting, alleen de wolk als geheel wordt door de zwaartekracht bijeengehouden.

Neem een oppervlak waar van onder zwaartekracht heerst, plaats daarboven een gaswolk van willekeurige ijlheid, maar hoe dan ook de dichtheid van die gaswolk wordt daar ook bepaald door die zwaartekracht. Op het oppervalk (dat oppervlak kun je ook beschouwen als een denkbare lijn met daaronder het overgrote deel van de wolk) leg je ballonnen neer die onbegrensd kunnen uitrekken met daarin verschillende gewichten.
Nu gaan de ballonnen zwellen niet door gas, maar door iets anders wat ervoor zorgt dat het inwendige van de ballonnen een geringer soortelijk gewicht heeft dan die gaswolk er omheen. Als je dit maar lang genoeg doet gaan die ballonnen opstijgen. Als ballonnen met zwaardere voorwerpen dat onevenredig sneller doen en onevenredig groter worden, stijgen ze hoger.
In feite is, het wegblazen van die gaswolk dat sterren doen hetzelfde, als de resterende wolk zich als gevolg van zijn eigen gewicht weer herstelt.
Je zou het ook kunnen zien als de neerwaartse kracht van de wolk.
Als dit in het echt ook zo gebeurt dan zouden de reuzensterren zich verder van het zwaartekrachtvlak van een sterrenstelsel bevinden en de kleinere er steeds dichterbij. Ik weet niet of dit ook in de werkelijkheid ongeveer zo is. Dus in het vlak, de oude gaswolken dan dwergsterren dan grotere en ver daarboven de echte grote jongens die kort leven en veilig ver weg staan.
H.L.:
ZWARE STERREN ZITTEN JUIST MEER IN HET CENTRUM DAN LICHTE STERREN, EEN SIMPEL FYSISCH EFFECT, BEREKEND EN WAARGENOMEN.
G.:
Als een vrachtwagen met puin en zand zijn bak leeg stort, rollen de grote brokken altijd het verste weg, een simpel waar te nemen natuurkundig effect.
Hier is duidelijk sprake van een misverstand, althans dat hoop ik. Ik bedoelde niet het centrum van een melkweg maar vanaf het zwaartekrachtvlak van de schijf rond het centrum, waar die donkere wolken zich bevinden.
Die wolken zijn duidelijk meer onderhevig aan de zwaartekracht.
De banen van de grotere sterren zullen niet meer in het oorspronkelijke vlak liggen maar schuin. Tijdens hun reis rond het centrum krijgen ze een ander draaiingsvlak ten opzichte van de melkweg eerst erboven en later eronder, als ze de tijd van leven hebben.
Stel zo een grote ster wordt een supernova. De stofwolken vliegen alle kanten op maar tenslotte stromen ze naar beneden, richting het zwaartekrachtvlak. (Daar begint mijn andere verhaal)
H.L:
IK BEGRIJP NIET WAT “BENEDEN” IS! (G. Door mijn toevoeging hier net boven is dit wel duidelijk, overigens is hier op aarde is 'beneden' ook de richting van de zwaartekracht)
BOVENDIEN: DE SNELHEID VAN HET UITGESTOTEN GAS IS ZO GROOT DAT DE ZWAARTEKRACHT VAN DE CLUSTER DAAR GEEN VAT OP HEEFT.
G.:
Zo even beheerste de zwaartekracht nog alles?
De zwaartekracht overheerst dus niet alles, maar hoe dan ook een deel van die gassen worden de goede kant opgeblazen. En uiteindelijk zullen de gassen die de andere kant op geblazen worden toch niet uit de melkwegen weten te ontsnappen, lijkt mij.
Maar de compacte ster die overblijft heeft een 'eeuwig' leven en passeert in zijn schuine vlak het middenvlak waar de kleinere sterren zijn en heeft geen stralingsdruk om een eigen 'cel' te handhaven en jojooit zo door het vlak van het stelsel op en neer. Niet ongevaarlijk, als zo een zware jongen een nog levende ster vangt. Dan ontstaat wellicht een situatie dat een zwartgat een ster invangt en opeet door massa van die ster naar zich toe te trekken.
Ik heb het altijd onverklaarbaar gevonden hoe zo een kleinere levende ster, de rode reus fase en de supernova van een grote buur kan hebben overleefd als deze al die tijd vlakbij was. Het is maar een idee.
H.L.
KIJK NAAR AFSTANDEN EN SNELHEDEN, DOE EEN SIMPELE SCHATTING EN HET IS DUIDELIJK DAT ZWARTE GATEN GEEN STERREN KUNNEN INVANGEN, ZELFS NIET IN DICHTE STERHOPEN! DAT KAN ALLEEN (!!) BIJ DUBBELSTERREN.
G.:
Onderlingen snelheidsverschillen lijken mij niet groot tussen de sterren in een gelijke baan, die ontstaan pas door onderlinge aantrekking. Bovendien als tijd geen rol speelt gebeurt alles op den duur.
Dubbelsterren. Wat ik doe, ik neem twee sterren van verschillend grootte, hun onderlinge afstand is Pluto tot de Zon. In de begintoestand beschikken ze allebei nog over hun gehele massa toch is de grote ster (10 x de zon) niet in staat massa van de kleine ster aan te zuigen. Gaandeweg neemt de massa van beide sterren af door hun energieproductie. Uiteindelijk komt de grote ster in een toestand van rode reus. Zijn omvang neemt enorm toe maar de kleine ster wordt niet opgenomen in die omvang. De zwaartekracht die uitgaat van de grote ster komt wel minder vanuit één punt. Daarom behoudt de kleine ster zijn massa ondanks dat het oppervlak van de rode reus dichterbij is.
Dan komt de supernova. De gaswolken vliegen de kleine ster om de oren of de kleine ster daar een deel van opneemt dat de situatie beïnvloedt, lijkt mij niet
Nu stort het restant van de grote ster in tot een zwartgat, bij tien keer de zonmassa gebeurt dat geloof ik. Zo ontstaat een situatie waarbij de afstand tot elkaar gelijk is gebleven maar de massa van de grote aanzienlijk is afgenomen en in die situatie zou materie door het zwarte gat kunnen worden aangezogen, onvoorstelbaar, want dat wordt waargenomen of aangenomen.
Maar als een zwartgat een ster invangt kan dat tot zeer nabij zijn.
Als het gebeurt dan gebeurde, die materie opname toch ook eerder. Of actieve sterren drukken gassen uit hun omgeving weg, en vormen zij dus wel degelijk een cel rond zich heen. Dubbelsterren hebben dan cellen die als slappe ballen tegen elkaar gedrukt zitten zolang ze beide actief zijn. Dit wat betreft mijn 'schuimtheorietje'.
Nu de verdediging van mijn verhaal.( herhaling plus toevoegingen)
Ik hoop dat U mij toestaat dit te doen, eerder heb ik nooit de andere verklaringen, voorzover mij bekend, in twijfel getrokken, ik zette mijn opvattingen er alleen als een voorstel naast, dit heb ik ook al eerder gezegd. Dit stukje is trouwens voor een groot deel herhaling. Maar nu zal ik pogen twijfel te zaaien.
Ik neem telkens een paar regels van uw email en zet daar mijn amateuristisch verweer onder. (En daar heeft H.L. in hoofdletters weer zijn vriendelijk commentaar tussen gezet, waarop ik in dit stuk ook weer op reageer)

H.L.:
- Meteorieten en ook planeten ontstaan uit oorspronkelijk uiterst fijn stof.-
G.:
Met deze zin ben ik het eens. De vormen van meteorieten in de ruimte voorzover mij bekend, zien eruit als brokstukken. Oorspronkelijk dus fijn stof en 'via via' een stuk ijzer geworden (waar de Eskimo's al messen van konden maken toen wij hier nog met stenen bijlen rondliepen) Dat 'via-via' is het probleem.
H.L:
We weten al decennialang dat dat stof een ijsmantel(tje) heeft. (Spectroscopisch waargenomen)
G.:
Die ijsmanteltjes rond de stofdeeltjes, dat lijkt mij, zijn zeker het geval in de buitengebieden waar de ijsplaneten en kometen zijn gevormd. Daar is de invloed van de omloopbaan amper aanwezig en kan de vrije beweging en de zwaartekracht zijn werk doen en bovendien goed koud, en daar kunnen ze plakken. (In mijn verhaal de C.N.O.-gebieden).
Maar stel, we stampen de aarde tot stof en verspreiden dat stof in een baan rond de zon. Ik stel voor een tulband met een doorsnede van 50 miljoen kilometer. We maken daar allemaal sneeuwvlokjes van (sneeuw, alle regen begint als sneeuw. Dat wordt ook meestal gevormd vanuit een stofdeeltje) dan moet er een enorme hoeveelheid water beschikbaar zijn, lijkt mij, die in de oceanen niet te vinden is.
Maar gezien de ijlheid is zo een ringwolk bijna een vacuüm. In deze toestand vervlucht het water, zou ik zeggen. Dus die watermanteltjes zijn zeker in de buurt van een jonge ster niet stabiel en of zij daar de tijd zouden krijgen om aan elkaar te plakken?
H.L.:
- Stof met ijsmantels plakt onder de omstandigheden die zich voordoen in de Proto planetaire schijven. Er zijn heel veel laboratoriumonderzoeken geweest die dat bevestigen.-
G.:
Ik neem aan dat de ruimte van die proeven zo goed als vacuüm was en dat er geen zwaartekracht heerste. Ik heb wel een youtube filmpje gezien vanuit het ruimtestation waar men in een plastic zakje zwevende deeltjes liet klonteren, het leek op schiften van een emulsie. Maar deze omstandigheden lijken mij niet representatief voor ons probleem.
H.L.:
ASTRONOMEN ZIJN NIET DOM, EN HOUDEN GOED REKENING MET DE VERWACHTE EFFECTEN.
G.:
Dat zou ik niet durven beweren, maar ze gedragen zich wel als een priesterklasse.
H.L
- De overgang van ‘kiezel-formaat’ steentjes tot planeten komt doordat er in de proto-planetaire schijf instabiliteiten zijn waardoor het materiaal zich ophoopt op bepaalde plekken en daar snel kan aangroeien.-
G.:
Klinkt wel stellig maar niet overtuigend.
Stel, in die tulband rond de zon bevinden zich toch overal grotere en kleinere sneeuwballen met allemaal de snelheid die ze in die baan rond de zon houdt. Hoe vinden die elkaar?
H.L.:
ER ZIJN ALTIJD KLEINE RANDOM BEWEGINGEN. DIE ZIJN TE BEREKENEN MET SIMPELE FYSICA EN DIE ZIJN GROOT GENOEG OM DE KLONTERING TE VERKLAREN.
G.:
Worden hier de 'Brownse bewegingen' (willekeurige warmtebewegingen) bedoeld van de moleculen die ook voor die enorme gemengde wolken hebben gezorgd, een tijdje geleden in dit verhaal?
Want wat het mechanisme is achter die toevallige bewegingen wordt niet duidelijk.
Je leest in dit verband vaak 'de protoplaneet veegt zo een baan rond de zon schoon'. Maar waar haalt zo een object zijn versnelling vandaan om te vegen?
H.L.:
DAAR IS GEEN VERSNELLING VOOR NODIG. DE ZWAARTEKRACHT DOET DAT. HET IS SIMPEL TE BEREKENEN HOE GROOT DIT EFFECT IS.
G.:
Dus als een meteoriet in de aardse dampkring terecht komt, van weet ik veel hoe ver weg, dan wordt zijn komst heel die weg bepaald door de zwaartekracht van de aarde?
Dus voor van klein naar groot maakt het klonteren plaats voor de zwaartekracht. Naar mijn mening gaat klonteren uiterst langzaam, gezien de kwetsbaarheid van zo een object en zwaartekracht gaat versnellend en dus op het laatst met geweld, volgens mij lukt dit niet in de natuur, die overgang. Je kunt ook berekenen dat een steen omhoog valt met Brownse bewegingen. Als alle moleculen op één moment allemaal toevallig omhoog bewegen dan botsen ze niet tegen elkaar en stijgt de steen, dit kun je berekenen maar in de werkelijkheid komt het nooit voor.
Hoe ik die instabiliteiten moet voorstellen weet ik niet, maar ik vrees dat deze gebaseerd zijn op computersimulaties. Want zoals gezegd, je hebt leugens, grote leugens en statistieken en computersimulaties.
H.L.:
WAAROM “VREES”?
COMPUTER SIMULATIES ZIJN GEBASEERD OP SIMPELE FYSISCHE WETTEN DIE DOOR WAARNEMINGEN ZIJN BEVESTIGD!! DE RESULTATEN VAN DE SIMULATIES WORDEN NATUURLIJK GETEST AAN WAARNEMINGEN.
G.:
Ik vrees weer. De simulaties worden aangepast aan de waarnemingen.
Bijvoorbeeld, er zijn filmpjes in omloop van de 'grote inslagen door de Theia'. De ene keer ontstaan er meer manen, de andere keer valt alles terug op aarde en een beetje aanpassen vormt zich een maan. Kortom het is een spel. Bovendien simulaties simuleren processen, maar processen worden niet waargenomen, dus er zit veel interpretatie tussen.

H.L.:
- Dat is berekend en twee jaar geleden ook waargenomen met de ALMA-telescoop. IJzermeteorieten zijn de restanten van grote meteorieten die aanvankelijk vloeibaar waren, (zoals ook alle manen en planeten). De zware elementen zakten naar het centrum (net zoals bij de aarde gebeurd is). Toen van die meteorieten door botsingen de buitenlagen werden afgeslagen bleef de ijzerkern over = ijzermeteoriet.-
G.:
Wat is berekend en wat waargenomen is mij niet duidelijk. Maar over die ijzermeteorieten vind ik een zwak verhaal. Dat manen en planeten vloeibaar zijn geweest tijdens hun vorming is ook het geval bij mijn zienswijze. Maar dat in die fase zware elementen naar het centrum zijn gezakt bestrijd ik, dat heb ik al eerder beschreven.
Maar bij kleine manen en de grotere planetoïden is het gewoon onmogelijk.
Het is niet voorstelbaar dat zij eerst door de inslagen van kleinere meteorieten zijn gegroeid en gesmolten en vervolgens door ander meteorieten zijn ontdaan van de lagen rond de kern van die objecten.
Die andere meteorieten zijn geen geklonterde planeetsimalen maar zijn gesmolten geweest en door inslagen van hun oorspronkelijke gestolte object afgeslagen. Het is een 'kip of het ei' redenering
Kan H.L. met deze argumenten ook verklaren dat het lichte graniet op aarde eerst in de diepte heeft gezeten en later pas is opgestegen. Volgens zijn zak-theorie lijkt mij dit onmogelijk.
En kan hij daarmee ook verklaren dat de bestanddelen van graniet, kwarts, veldspaten en mica's zich daar beneden zouden hebben opgezocht, grondig vermengd en daarna pas opstegen.

Weer verder de ruimte in. Ik las onlangs in mijn oude teleacboek over sterrenkunde dat alleen stenen kunnen aaneengroeien als ze elkaar langzaam naderen anders leveren ze alleen versplintering op en langzame 'botsingen' leveren weinig warmte op.
H.L.
KLOPT, DAT DOEN ZE OOK.
G.: Mooi dat iets klopt, maar stel je voor in de ruimte bevindt zich een grote verzameling losse stenen, die allemaal rustig zijn komen aandrijven en samen een bol vormen. Op gegeven moment wordt de druk in het midden zo groot dat de zaak daar begint te smelten, dat is dan wel geen inslagenergie en levert een heel ander verhaal op.
Of neem aan dat na de rustige fase de inslagfase begint en die doet de hele zaak smelten zo gaat het bekende ‘kloppende’ verhaal. Maar alvorens die objecten echt enige omvang hebben om een klap te weerstaan, zijn er velen die elkaar opzoeken`en die omvang niet hebben en dat loopt dan in geval van zwaartekracht aantrekking niet goed af, lijkt mij.
(Ik heb ook nog in het oude sterrenkundeboek van mijn vader gekeken 'Het lied van de hemel' door J.N. Lenz, een zeer gelovig man, en trof daar nog een theorie van 'Jeans' aan, de 'getijdentheorie', de planeten zouden uit de zon zijn gesleurd als gevolg van de aantrekkingskracht van een langskomende reuzenster.)
H.L.:
AARDIG IDEE MAAR BLIJKT NIET TE KLOPPEN.
G.:
Als ik het bedacht had, wat mij onmogelijk lijkt, dan zou H.L. ongetwijfeld 'onzin' hebben gezegd, dit terzijde en nu verder over de meteorieten.
In de meteorietengordel bevinden zich een aantal grotere objecten die worden beschouwd als protoplaneten, Vesta en Ceres en Pallas. Ze hebben een gelaagde opbouw. Ik heb daar mijn vragen bij als zij zijn gevormd door klontering van meteorieten. Zelfs als zij vloeibaar zouden zijn geworden door een inslagregen, kan ik mij geen scheiding door het soortelijke gewicht van de materialen voorstellen, zeker niet tot de kern omdat in een vloeibare planeet allerlei stromingen zullen zijn na iedere inslag, hun zwaartekracht lijkt mij daar te gering voor.
H.L.:
DE ZWAARTEKRACHT IS WEL GROOT GENOEG. HET IS EEN ZEER LANGZAAM PROCES MAAR ER IS OOK EEN HEEL LANGE TIJD BESCHIKBAAR. DE INSLAGEN ZIJN ALLEEN MAAR EEN OPPERVLAKTE EFFECT.
G.: Dat de zwaartekracht in een klein hemellichaam als bijvoorbeeld de planetoïde Juno met een doorsnede van 135 km genoeg is geweest de zware elementen naar het centrum te doen zakken, dat moet H.L. mij eens voorrekenen.
Hij zegt ook dat de inslagen een oppervlakte effect is. De warmte die daar dan bij ontstaat verliest zo een object dan snel door uitstraling.
Ook die lange tijd is geen voordeel want de afkoeling krijgt dan veel tijd.
H.L.
- U kunt hieruit het volgende leren: Als U ergens niet van gehoord hebt, betekent dat niet dat het onbekend of niet onderzocht is! Integendeel, de meeste stappen in de vorming van sterren, planeten, manen enz. zijn grondig onderzocht (waarnemingen, laboratoriumtesten, berekeningen), omdat astronomen die raadsels willen oplossen-
G.:
Maar als ik lees dat ergens de meningen over verdeeld zijn of een fenomeen nog niet verklaard kan worden, dan neem ik de vrijheid een duit in het zakje te doen. En als er meerdere verklaringen de ronde doen, wat dan?
H.L.:
DAT IS UITERAARD TERECHT. MAAR ...
ALLEEN ALS DAT ZINVOLLE DUITJES ZIJN VAN IEMAND DIE EEN BEGRIP HEEFT VAN FYSISCHE WETTEN, DIE GELDEN ONDER DE BETREFFENDE OMSTANDIGHEDEN.
G.:
Op youtube staan twee filmpjes over de omgekeerde draaiing van Venus (er zijn er vast meer), de ene betreft een college van uw collega S. van de L. universiteit, die doceert daar de passage verklaring en de andere, een Amerikaanse site, poneert een tweede 'Impact theorie', waar Venus geen maan aan over heeft gehouden maar wel de andere kant is op gaan draaien, wat nu, voor een dilitant als ik.
En niemand kan alles weten, iedereen is op het ene gebied misschien een deskundige, of zelfs een specialist maar op andere gebieden nooit meer dan een dilitant (ik vind daar niets negatiefs aan). Deskundigen moeten anderen laten meedenken want ze zijn zelf ook die anderen.
H.L.:
PRIMA, MAAR DAN MOETEN DIE BIJDRAGEN WEL ZINNIG ZIJN VAN MENSEN DIE VOLDOENDE KENNIS VAN DE BETREFFENDE FYSICA HEBBEN.HET IS NATUURLIJK PRIMA DAT U VEEL LEEST EN GEÏNTERESSEERD BENT!
EN DAT U VRAGEN HEBT. Ga zo door.
MAAR U MOET ZICH REALISEREN DAT IN DE POPULAIRE LITERATUUR EFFECTEN VAAK SIMPELER WORDEN VOORGESTELD DAN DE WERKELIJKHEID.
ASTRONOMEN HOUDEN IN HUN THEORIEËN EN VERKLARINGEN NATUURLIJK REKENING MET ALLE MOGELIJKE EFFECTEN, VOOR ZOVER DE HUIDIGE KENNIS DAT TOELAAT.
WANT ER ZIJN UITERAARD NOG HEEL VEEL ONZEKERHEDEN!
MAAR IK BETWIJFEL STERK OF GOEDBEDOELENDE LEKEN MET ONVOLDOENDE KENNIS VAN ZAKEN ZINVOLLE OPLOSSINGEN KUNNEN BRENGEN.
G.:
We weten nu dat sterrenkundige werkelijkheid alleen door sterrenkundigen is te begrijpen en zij die het begrijpen kunnen het niet uitleggen.
Ik laat het verdere oordeel aan de lezer over.
Met vriendelijke groet
Guido van Geel
ps.
Ter overweging geef ik hier een stukje uit een artikel over het ontstaan van sterren van ene H.L., waaruit blijkt hoe een leek het moet begrijpen:
Over ongeveer tien miljoen jaar zal langzaam het gas verdwenen zijn. Dat is dan de ruimte in geblazen door de stralingsdruk van het licht van alle sterren en door de explosies van de zwaarste sterren die dan al aan het eind van hun leven zijn. Als het gas van de grote nevel verdwenen is en daardoor de zwaartekracht die alles bij elkaar hield begint af te nemen, zullen de sterren langzaam gaan afdwalen. Alleen de sterren in kleine sterhopen blijven bij elkaar. Over honderd miljoen jaar zullen de meeste sterren zover zijn afgedwaald, dat we ze niet meer herkennen als een grote ‘familie’ die ooit uit een grote stofwolk is ontstaan.
G.:
Eigenlijk wordt hier hetzelfde beweerd als wat H.L. eerder in deze 'discussie' afdeed als onzin, met dit verschil dat hij de resterende gasnevel simpel laat verdwijnen naar 'ergens' toe en de resterende sterren dan door een geheimzinnige kracht laat wegdrijven.

© Copyright guido van geel

Ingezonden door

guido van geel

Geplaatst op

28-04-2020

Over dit verhaal

'Ik weet het beter', zei H.L en deed er het zwijgen toe.

Tags

Guidovangeel Sterrenkunde