De Berg
Alles verdenkende mannen wachten zich te beklagen en luisteren waar onder in schemer, de kinderen met grote ogen als stille, zwarte schimmen, bang zijn voor elk geluid.
De berg heeft weer een kind genomen.
De vrouwen dolen in de avond nietig tegen hem in het hoge, opstijgende licht.
Het is allemaal door de witte vrouw van weleer.
Zoveel jonger de jaren, daalde zij af, volmaakt in haar schoonheid.
En in het jaar daarna baarde zij zijn zoon, het kind van de berg
en alle achterdocht voor altijd in het dorp.
De bleke jongen die steeds zweeg en zwierf, te ver en te hoog, tot op die avond. Niemand de moeder hielp, leek het voorbij.
Maar van de berg was een kreet gekomen door het dal ijselijk en vol verwijt en haat,
heen en weer en weer en weer…, lang, langer nog in de hoofden van de mensen.
Sommige hebben de heks, zeggen ze, nog wel eens gezien, wordt er gefluisterd.
En weer ziet een wanhopige moeder ergens in een klein bergmeer een dunne kikker in een wolk troebel water wegschieten en een vogel in een snelle stijgwind vernevelen.
Het dorp hoort,
de berg zwijgt.
Guido van Geel
© Copyright guido van geel
Ingezonden door
guido van geel
Geplaatst op
01-05-2016
Over dit verhaal
‘De uitvinding van de ene god is de grootste ramp uit de geschiedenis’, zei de opperpaap en vond de heiligen uit.