Hoe de donkere man alle hoop verloor
Er was eens een donkere man, hij leefde in een klein huisje samen met zijn vrouw en drie kinderen waar hij erg trots op was. Deze man kwam uit een groot gezin, een gezin waarmee het contact wat verwaterd was. Toch zat de man daar niet mee, hij was blij en trots met het gezin en het leven dat hij op dat moment had. Samen met zijn vrouw brachten zij met veel plezier en toewijding hun kinderen groot. Op deze manier wilde de man nog wel decennia leven, helaas werd deze droom op een dag van hem afgenomen. Er heerste paniek en onrust in het dorp, ‘de witten’ waren aangekomen en stormden bij mensen naar binnen. Zo ook bij deze donkere man. Ruw werd hij vastgegrepen door twee blanken mannen, hij probeerde zich te verweren maar moest dit met een nog pijnlijkere greep bekopen. De donkere man keek naar zijn vrouw beschermend voor hun drie kinderen stond, nog nooit had hij zijn vrouw zo angstig gezien. Lang kon hij niet meer naar zijn vrouw kijken, hij werd mee naar buiten gesleurd. Op het moment dat de deur achter hen dichtklapte hoorde hij zijn vrouw gillen. In paniek keek de man om zich heen, hij wist niet wat hij zag, overal domineerde de witte mannen in rare, veel te warme pakjes. Hij zag hoe verschillende sterke mannen uit het dorp werden meegesleurd, sommige liepen gehoorzaam mee, anderen verweerden zich, maar ter vergeefs. De donkere man probeerde blikken uit te wisselen met andere donkere mannen, in de hoop dat iemand wist wat ze moesten doen. Het enige wat de man echter opving waren blikken met paniek, angst en zelfs al hopeloosheid. Na een stuk meegelopen te zijn, werden de donkere mannen geketend bij hun polsen. Een lange ketting verbond de angstige mannen met elkaar, aan het begin van de ketting stond een grote blanke man, een die goed de leider van de groep zou kunnen zijn. Deze schreeuwde iets in een taal die voor de donkere mannen onbekend was, toch begrepen zij dat zij richting de grote bruine houten boot moesten lopen. Mannen die niet doorliepen werden geslagen met een stok of een stuk touw.
Op de boot werden de mannen naar beneden geleid in een muf en donker hok. Daar moesten zij gaan zitten. Ook de donkere man uit het kleine huisje had een plekje kunnen vinden, een goed plekje, namelijk een hoekje. Nu voelde hij maar aan twee kanten de warme zweterige lichamen van anderen tegen zich aan. Na een tijd merkte de mannen dat ze begonnen te varen. Dagen voeren zij, het werd steeds benauwder en geuren van zweet, urine en ontlasting drongen de donkere brede neuzen binnen. De donkere man probeerde de geur van het hout van de boot te ruiken, dit verzachtte het leiden onder deze verschrikkelijke stank enigszins. Eten was er niet, water kregen de mannen minimaal op schoteltjes. Veel mannen zijn tijdens deze reis gestorven. De donkere man uit het kleine huisje, weigerde te sterven, hij wilde terug, terug naar zijn vrouw en kinderen, en dat zou hem lukken ook, hij ging een weg naar huis vinden dacht hij. Eenmaal aangekomen op de plek van bestemming doet het zonlicht zeer aan hun ogen en kunnen vele nog amper op hun benen staan. Ze waren op een plek die voor de mannen nog onbekend was, hier was alles luxer. Op de kade stonden bruine kisten, hier werden de donkere mannen naartoe geleid. Mannen die hier niet meer toe in staat waren, werden ter plekke van hun leven beroofd. De donkere man was bij een kist aangekomen en werd hier ontdaan van zijn ketens, om vervolgens weer andere ketens om te krijgen, ketens die hem niet langer meer verbonden met de rest van de groep donkere mannen. De man moest op de kist gaan staan, al snel kreeg hij door wat hier gaande was. Hij werd verkocht, geveild, in de verkoop gezet, zoals de slager bij hem zijn vlees aanbood voor een prikkie, zo werd hij nu ook in de markt gegooid. Allemaal witte mensen liepen langs en bekeken hem keuren van top tot teen. De man die eerder de leider van de boot leek, leidde nu ook de verkoop. In een taal die de man niet verstond de verkoper naar de langslopende witten, waarschijnlijk positief. De donkere man vroeg zich af hoe hij van al deze hoopjes mens nog iets positiefs wist te maken. De donkere man merkte op dat hij meer dan gemiddeld aandacht kreeg van langslopende witte mensen. De verkoper stond toe dat er af en toe even in zijn arm geknepen werd of hem een duw gegeven werd. Het liefst kneep en duwde hij al die mensen terug, maar hij voelde dat hem dat niet verder zou brengen. Een man met grijs haar en een puntige snor, bleef lang bij de donkere man en de verkoper hangen. Ze leken te onderhandelen over de prijs. De onderhandelende mannen waren het eens geworden en de donkere man werd ruw van de kist afgetrokken. Eenmaal van de kist af werd het slot van zijn ketens geopend en moest de man aansluiten bij een klein groepje andere donkere mannen die door drie witte mannen gestuurd werden.
Na de donkere man werden er nog 2 donkere mannen gekocht, aan het gezicht van de verkoper te zien had hij een goede verkoop dag. In een soort gesloten rijtuig werden mannen vervoerd naar de nieuwe bestemming. De donkere man probeerde de weg te onthouden, hij moest en zou deze weg nog een keer lopen. Nog een keer wilde hij hem lopen, op zijn terugweg naar huis. Op de plaats van bestemming, zagen ze een grote boerderij, een van de witte mannen opende de deur van het rijtuig. Naast een groot dichtgegroeid veld verzamelden de donkere mannen onder leiding van de witte mannen. Met handen en voeten werd aan de donkere mannen verteld hoe zij alle dichtgegroeide planten weg moesten hakken. De donkere mannen kregen ieder een bot hakmes en werden het veld ingeduwd. Dit was de eerste dag van vele waarin de donkere man in het kleine huisje aan het werk werd gezet op deze plantage. De nachten brachten de donkere mannen door in de stallen van de paarden, waar zij op een matig beetje hooi konden liggen. Dag in dag uit werd het maximale van deze mannen verwacht en kregen zij dat het minimale voor terug. De donkere man uit het kleine huisje raakte bevriend met een andere donkere man, een man die hiervoor als bakker zichzelf van geld had voorzien. De donkere man en de voormalige bakker praatten, wanneer dit kon over van alles. Toch was de donkere man voorzichtig met het opbrengen van zijn plan om te willen ontsnappen. Na een tijd vertelde de vroegere bakker hoe erg hij het thuis miste en hoe hij weer verlangde naar zijn oude plekje. Dit was het moment waarop de donkere man zijn plan over het ontsnappen met hem deelde, de bakker was verrast door deze opmerking. De donkere man zag hoe de bakker ineens weer licht in zijn ogen kreeg en hoop had gekregen om weer terug naar huis te keren.
De dagen die daarop volgden bespraken zij in het geheim hoe ze het aan zouden pakken. De stal had aan de achterkant een raam, hierdoor konden zij ontsnappen, alleen moesten zij dan wel de paarden stil zien te houden. Op de dag van ontsnapping besloten zij hun maaltijd niet te eten. Die nacht gaven zij hun eten aan de paarden en kropen zij samen via het raam naar buiten. Vanaf hier hebben zij het op een rennen gezet. En even dachten zij verlost te zijn van de onderdrukking en hun lijden, even ging er een zucht van verlichting door hen heen, even wisten ze weer hoe het was om gelukkig te zijn. Maar terwijl zij richting de haven renden op hun laatste krachten, hoorden zij ineens de voeten van paarden dichterbij komen. Nog voor zij een ander plan konden bedenken werden zij omsingeld, kregen zij een pak slaag en werden zij vastgebonden en meegenomen. Eenmaal terug stond de man met de grijze puntige snor op de twee bijna ontsnapte mannen te wachten. De bakker bloedde aan alle kanten van het pak slaag, de donkere man was daar beter vanaf gekomen. Neerbuigend keek de man met de snor naar de bakker, hij sprak tegen een andere witte man, en nog voor de donkere man kon beseffen wat er precies gebeurde lag het levenloze lichaam van de bakker naast hem op de grond. De donkere man schreeuwde het uit, dit werd hem niet in dank afgenomen, met een stuk touw werd zijn rug afgemat. Zijn rug bloedde en zijn bot werd zichtbaar, pijn had de man zeker. Maar er was iets wat hem meer pijnigde, hij had de bakker hierin meegenomen, hij is nu dood door hem. Hoe kon hij zichzelf dit ooit vergeven. Dit mocht nooit meer gebeuren. Bang voor wat er mogelijk met zijn gezin zou gebeuren als hij nog zoiets zou proberen, verloor hij alle hoop op ontsnapping en het terugkeren naar zijn gezin. De jaren daarna leefde hij als een marionet, hij danste naar de pijpen van alle witten, hij voelde zich gefaald, leeg en geleefd. Het was een hongerdood die de donkere man verloste van zijn slavenwerk.
© Copyright Amber
Ingezonden door
Amber
Geplaatst op
09-09-2015